Begrippenlijst tandheelkunde

Amalgaam

Een middel om gaatjes in tanden/kiezen te vullen. Dit middel bestaat uit een mengsel van verschillende metalen (zilver, tin en kwik). Tegenwoordig wordt dit niet nagenoeg niet meer gebruikt. Wij bij Tandartsenpraktijk Oranjebuurt gebruiken dit vulmiddel in ieder geval niet meer.

Aft

Een klein blaasje dat zich aan de binnenkant van uw wang, tong of lippen kan vormen. Hoewel ze voor ongemak kunnen zorgen tijdens het eten of praten, verdwijnen deze meestal vanzelf binnen een paar dagen tot maximaal twee weken.

Bleken: 

hiermee bedoelt met het bleken van de tanden, of te wel witter maken van uw tanden. Zie tevens de bleekbehandeling en veel gestelde vragen over het bleken van tanden.

Brug

Ook wel gedeeltelijk kunstgebit. Dit is een manier om een ontbrekende tand of kies in een gebit te vervangen. De brug bestaat bijvoorbeeld uit een kunsttand en twee kronen en wordt dan verankerd aan één of twee aangrenzende natuurlijke tanden.

Bruxisme:

Hiermee wordt tandenknarsen bedoeld. Het heen en weer schuiven van boven- en ondertanden. Vaak gaat dit gepaard met een knarsend geluid. Gevolg van tandenknarsen is dat er slijtage plaatsvindt van het glazuur en dat dentine bloot komt te liggen met als gevolg dat er tandgevoeligheid optreedt en er caries kan ontstaan.

Buccaal

Als de tandarts dit zegt wordt er de wangzijde mee bedoeld.

Cariës of tandbederf:

Gaatjes in tanden en/of kiezen. Ontstaan door zuren in de mond. Deze zuren zijn een product van bacteriën die in de mond voorkomen. Zij vormen deze zuren uit suikers. Daarom is het advies ook altijd om het aantal suikers te matigen. En helemaal het aantal keer dat men suikers tot men neemt op een dag.

Liever een glas sinaasappelsap in een keer opdrinken, in plaats van kleine slokjes gedurende een kwartier, om maar een voorbeeld te noemen.

Caviteit:

Hiermee bedoelen we in de tandheelkunde een holte (gaatje) in een tand of kies welke is veroorzaakt door cariës.

Cerec:

Een restauratiemethode waarbij met behulp van computertechniek restauraties zoals kronen, inlays, onlays, facings worden vervaardigd volgens het CAD/CAM principe. Kortgezegd wordt er op basis van een drie dimensionaal computerprogramma een perfect passend stukje namaak tand of stukje tand ontworpen welke perfect past in uw gebit.

Dit ontwerp wordt vervolgens met een diamantboortje uit een porselein blokje gefreesd. Hierna wordt het ontwerp gepast, bijgewerkt en uiteindelijk verhard met licht. Vaak vindt dit allemaal plaats in een behandeling met een erg lange levensduur.

Composiet:

Een vulmateriaal dat gebruikt wordt voor witte vullingen en andere restauraties van tanden en kiezen.

Dentine:

Ook wel bekend onder de naam tandbeen. Het geeft vorm aan de tand en is de laag tussen het glazuur (buitenkant tand) en de pulpa (binnenkant tand), zie afbeelding op deze pagina.

DPSI-score (Dutch Parodontal Score Index):

Een manier waarbij periodiek de pockets van de patiënt worden gemeten. Dit gebeurt per monddeel (kwadrant). Een pocket is de ruimte tussen tand en tandvlees gemeten in millimeters. Zie tevens parodontitis.

Endodontologie:

Het vakgebied dat zich bezighoudt met het levende binnenste deel van een tand of kies, pulpa genaamd. De tandarts-endodontoloog is een specialist op het gebied van wortelkanaalbehandelingen.

Excaveren:

Cariës in een tand of kies verwijderen. Ook wel bekend onder de naam boren.

Etsen:

Hierbij zal de tandarts de tand of tandmateriaal voorbewerken met een zuur. Dit zuur verwijdert afval van het boren, verontreiniging en het bereid de tand voor op de volgende stap namelijk het lijmen (bonding ook wel adhesief genoemd), zodat vullingen van composiet goed kunnen worden vastgeplakt.

Endo:

Wortelkanaalbehandeling. Voor een verdere uitleg zien onze behandelingen.

Extractie:

Het verwijderen van een tand of kies.

Facing:

Een dun plaatje/laagje van composiet of porselein. Met een facing kan de vorm of de kleur van een tand worden gewijzigd. Zo kan de tandarts een spleetje tussen tanden opvullen, afgebroken stukjes tand/kies repareren, verkleurde tanden weer wit maken en scheve tanden verbergen.

Fluoride:

Een spoorelement die aanwezig is in tanden en de tanden beschermt tegen cariës. Fluoride maakt tanden en kiezen harder en beter bestand tegen zuren. Fluoride zit in zeer kleine aantallen in alle etensmiddelen, maar vooral in thee en zeevis.

Fissuur:

Een van nature (diepe) groef, meestal op of in het kauwvlak van een tand of kies.

Gingiva:

Tandvlees.

Gingivitis:

Ontstoken tandvlees, zie ook parodontitis.

Glazuur:

Harde laag om de kroon van een tand of kies, zie tevens de afbeelding op deze pagina.

Gnathologie:

Een tandheelkundig specialisme waarbij de gnatholoog zich bezighoudt met de functies en dysfuncties van het kaak- en kauwstelsel. Denk hierbij aan pijn in het kaakgewricht of de kauwspieren, maar ook het knakken van de kaken of een suis in de oren kan in het werkveld van de gnatholoog behoren.

Halitose:

Slechte adem. Veel mensen hebben dit niet eens door dat ze een slechte adem hebben. De oorsprong kan zeer verschillende zijn. Veel mensen denken dat het komt vanuit de maag, dit is echter vaak niet het geval.

Implantologie:

Het vakgebied dat zich bezighoudt met het implanteren van kunstwortels ter vervanging van gebitselementen of als verankering voor uitneembare protheses, denk hierbij aan een klikgebit. De tandarts-implantoloog is specialist in het plaatsen van implantaten.

Implantaat:

een kunstwortel (soort schroef), die in de kaak wordt geplaatst en waarom een kroon wordt geplaatst. De meeste implantaten zijn gemaakt van titanium, een lichaamsvriendelijk materiaal waaraan bot zich gemakkelijk hecht.

Incisaal:

Als de tandarts dit zegt wordt er de snijdende rand mee bedoeld.

Inlay:

Een vulling die zodanig gevormd is dat ze past in een uitsparing in de tand of kies. Een onlay is iets groter: die valt deels over de kies heen. Dit als alternatief voor een vulling of kroon. Zie tevens cerec.

Interdentaal:

De ruimte tussen de tanden of kiezen.

Kroon:

Het gedeelte van de tand wat normaal gesproken boven het tandvlees uitsteekt. Dit gedeelte van de tand/kies is bedekt met glazuur. Vaak wordt er met het woord kroon ook bedoeld de kunstmatige vervanging van een kroon.

Linguaal:

Tongzijde.

Orthodontie:

Het specialisme dat zich bezighoudt met het onderzoeken en behandelen van de stand van kaken, tanden en kiezen. De orthodontist is een door de overheid erkende specialist in het reguleren van tanden en kiezen.

Parodontitis:

Ernstige tandvleesontsteking, zie tevens parodontitis.

 

Parodontium:

de weefsels die een tand of kies omgeven en een rol spelen bij de bevestiging van tand of kies in de kaak, bestaande uit tandvlees, ligament, wortelcement en kaakbot.

 

Pocket:

De ruimte tussen het tandvlees en de tand of kies.

Pulpa:

Het levende binnenste deel van een tand of kies, bestaande uit bindweefsel met bloedvaten en zenuwen. Zie tevens de afbeelding op deze pagina.

Rubberdam of cofferdam:

Rubberlapje met een gaatje, die de tandarts aanbrengt over de tand/kies die hij gaat behandelen. Hierdoor wordt het element of elementen geïsoleerd en drooggehouden.

Scalen:

Het verwijderen van tandsteen en andere afzettingen op tanden en kiezen. Dit kan gedaan worden met handinstrumenten of met ultrasonische tandsteen verwijderaars.

Sealen:

In dit geval brengt de tandarts een beschermend kunststof laagje aan op een tand of kies, meestal in de putjes en groeven van een tand. Dit laagje beschermt de kiezen tegen het innestelen van bacteriën. Hierdoor wordt het risico op gaatjes kleiner.

Tandhals:

De overgang van de tandkroon naar de tandwortel.

Wortelkanaalbehandeling:

Het verwijderen van de pulpa van een tand of kies, het vervolgens (ver)ruimen van het wortelkanaal en vullen daarvan.

Tandletsel:

Gebitsschade ontstaan doordat het gebit een klap heeft gehad door bijvoorbeeld een val of een verkeersongeluk. 

Tanderosie:

Slijtage van het glazuur. 

AFSPRAAK MAKEN